strandhuis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

strandhuisje op het strand van Texel
Uitspraak
Woordafbreking
  • strand·huis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord strandhuis strandhuizen
verkleinwoord strandhuisje strandhuisjes

Zelfstandig naamwoord

strandhuis o

  1. (meestal houten) huis op het strand
    • Voor de zomer hebben wij een strandhuisje gehuurd op Texel. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.