stinken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stin·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘kwalijk ruiken’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1]
  • [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
stinken
/ˈstɪŋkə(n)/
stonk
/stɔŋk/
gestonken
/ɣəˈstɔŋkə(n)/
klasse 3 volledig

Werkwoord

stinken

  1. absoluut een onaangename geur hebben
    • Ga je eerst wassen, je stinkt! 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Een uur in de wind stinken

  • Erg stinken

Dat stinkt

  • Dat is niet pluis, daar klopt iets niet

Je stinkende best doen

  • Erg je best voor iets doen, je uiterste best doen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Duits

Werkwoord

stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
stinken
stank
gestunken
Klasse 3 sterk volledig

stinken

  1. stinken