stinken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stin·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
stinken
/ˈstɪŋkə(n)/
stonk
/stɔŋk/
gestonken
/ɣəˈstɔŋkə(n)/
klasse 3 volledig

Werkwoord

stinken

  1. absoluut een onaangename geur hebben
    • Ga je eerst wassen, je stinkt! 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Een uur in de wind stinken
heel erg veel stank verspreiden
  • Vis begint aan de kop te stinken
een organisatie of bedrijf gaat ten onder door slecht bestuur
  • Dat stinkt
Dat is niet pluis, daar klopt iets niet
  • zijn stinkende best doen
Erg je best voor iets doen, je uiterste best doen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen


Duits

Werkwoord

stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
stinken
stank
gestunken
Klasse 3 sterk volledig

stinken

  1. stinken