Naar inhoud springen

stik

Uit WikiWoordenboek
  • stik

stik

  1. geheel en al
    • Hij was stik verkouden en voelde zich beroerd. 
  2. versterkend voorvoegsel (informeel) uitermate, heel erg
vervoeging van
stikken

stik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stikken
    • Ik stik. 
  2. gebiedende wijs van stikken
    • Stik! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stikken
    • Stik je? 
99 %van de Nederlanders;
96 %van de Vlamingen.[3]

stik

  1. steil