squashen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • squa·shen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
squashen
squashte
gesquasht
zwak -t volledig

Werkwoord

squashen

  1. inergatief, (sport) beoefenen van squash
    • Ik ga na het werk een uurtje squashen. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.