squash

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
squash

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • squash
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘balspel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1953 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord squash
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

squash o

  1. (sport) racketsport waarbij twee spelers om de beurt proberen de squashbal in een bepaalde zone tegen de muur te slaan
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
squashen

squash

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van squashen
    • Ik squash. 
  2. gebiedende wijs van squashen
    • Squash! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van squashen
    • Squash je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
squash squashes

Zelfstandig naamwoord

squash

  1. (sport) squash
  2. (plantkunde), (groente) een aantal soorten van het genus Cucurbita op Wikispecies
    1. Cucurbita maxima op Wikispecies reuzenpompoen
    2. Cucurbita argyrosperma op Wikispecies ayote
    3. Cucurbita moschata op Wikispecies muskaatpompoen
    4. Cucurbita pepo op Wikispecies courgette


vervoeging
onbepaalde wijs to squash
he/she/it squashes
verleden tijd squashed
voltooid
deelwoord
squashed
onvoltooid
deelwoord
squashing
gebiedende wijs squash

Werkwoord

squash

  1. platslaan, tot moes slaan
    «She squashed another musquito.»
    Ze sloeg nog een mug plat.
  2. proppen, inproppen, stouwen
    «They all managed to squash into the small car.»
    Ze slaagden er allemaal in zich in het autootje te proppen.


Frans

enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  squash     le squash          

Zelfstandig naamwoord

squash m