spreekverbod

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spreek·ver·bod
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord spreekverbod spreekverboden
verkleinwoord spreekverbodje spreekverbodjes

Zelfstandig naamwoord

spreekverbod o [1]

  1. het niet mogen geven van een lezing voor een algemeen publiek
    • In maart 1925 kreeg Hitler door de Beierse overheid een openbaar spreekverbod opgelegd, dus toen hij uit de gevangenis kwam, kon hij nauwelijks politiek actief zijn. Daarop huurde hij een huis in de Alpen, waar hij het vervolg op zijn boek schreef, Mein Kampf n. Dat werd in de zomer van 1926 afgerond, maar door de kranten genegeerd en een jaar nadat het verschenen was, waren er slechts zo'n zevenhonderd exemplaren van verkocht. [2] 
    • Ze hebben me zelfs tuchtrechtelijk vervolgd omdat ik tegen de pers zei dat ik spreekverbod had gekregen en ze maar naar de stafhouder moesten bellen. Dat was “gebrek aan respect”. Ok dan, ondertussen had ik toch gezegd wat ik dacht.’[3] 
    • Derksen: ,,Ik moet dat toch kunnen zeggen? RTL is tot nu toe niet zo kinderachtig geweest om mij hierop aan te spreken, maar dat het niet goed valt, proef ik wel in de wandelgangen. Als ik straks een spreekverbod krijg en met de handrem moet praten, schuif ik in elk geval niet meer bij VI aan.’’[4] 

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Knausgard, Karl Ove Vrouw 2015 ISBN 978-90-445-3227-2 pagina 698
  3. de Standaard 12 AUGUSTUS 2017
  4. Tubantia Gudo Tienhooven 26-SEPTEMBER-2017