sportkamp

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sport·kamp
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sportkamp sportkampen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

sportkamp o

  1. vakantieverblijf voor een groep kinderen waar vooral veel gedaan wordt aan sport
    • „Ik ben een nakomertje en werd heel vrij gelaten. In de zomer ging ik altijd op sportkamp of naar zomerschool, zo ook naar Gordonstoun, een Harry Potter-achtige kostschool in Schotland. We deden survivaltochten, zongen opera, werden continu uitgedaagd het maximale uit onszelf te halen. Ik vond het fantastisch. [1] 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Brenda van Osch 14 juni 2014