spetten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spet·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
spetten
spette
gespet
zwak -t volledig

Werkwoord

spetten

  1. in kleine druppeltjes neervallen of uit elkaar bewegen
    • De regen spet op mijn balkon. 
  2. kleine druppeltjes uit elkaar laten vliegen
    • Goede boter spet bij het braden minder. 
  3. iets of iemand nat maken door er vocht heen te gooien of te trappen
    • Zij stampen met hun laarsjes in de plassen en spetten elkaar zo nat. 
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Zelfstandig naamwoord

spetten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord spet

Werkwoord

vervoeging van
spetten

spetten

  1. meervoud verleden tijd van spetten
    • Wij spetten. 
    • Jullie spetten. 
    • Zij spetten. 

Gangbaarheid

64 % van de Nederlanders;
54 % van de Vlamingen.