spatteren
Uiterlijk
- spat·te·ren
- frequentatief gevormd uit spatten met het achtervoegsel -er
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| spatteren |
spatterde |
gespatterd |
| zwak -d | volledig | |
spatteren
- inergatief voortdurend vocht in druppels laten rondvliegen
- De kinderen spatteren in het zwembad.
- Het woord 'spatteren' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 9
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Frequentatief in het Nederlands
- Achtervoegsel -er in het Nederlands
- Zwak werkwoord (-d) in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands
- Inergatief werkwoord in het Nederlands
- Niet in Woordenlijst Nederlandse Taal