speculeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spe·cu·le·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gokken (op)’ voor het eerst aangetroffen in 1866 [1]
  • afgeleid van het Franse spéculer (met het achtervoegsel -eren) [2] [3]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
speculeren
speculeerde
gespeculeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

speculeren

  1. inergatief inzetten op een bepaalde kans, meestal met hoog risico
    • Hij speculeerde op de winst van AZ, maar verloor een hoop geld. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen