souperen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sou·pe·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘avondmalen’ voor het eerst aangetroffen in 1764 [1]
  • uit het Frans met het achtervoegsel -eren[2]

Werkwoord

souperen [3]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
souperen
soupeerde
gesoupeerd
zwak -d volledig
  1. (figuurlijk) verbruiken
    • De partijen van de meerderheid, PS en MR, hebben de grote brokken onder elkaar verdeeld. Samen souperen ze een miljoen euro per jaar op (verhouding: 65/35 procent). De andere partijen moeten zich met kruimels tevredenstellen. Ook de Vlaamse coalitiepartners, Open VLD en tot vorige week SP.A, komen er bekaaid vanaf. Al mag Sven Bousset, kabinetschef van voormalige schepen Ans Persoons (SP.A), niet klagen. [4] 
  2. nuttigen van een avondmaaltijd
    • Dat hij en Simon eerst naar het Hótel Des Bains gingen om uitgebreid te souperen. Dat hij zich daar moed indronk en na een paar glazen cognac moest vechten tegen een plotseling opgestoken absurde angst voor het verpletterende gewicht van de kroonluchter boven zijn hoofd, terwijl zijn broer hem onverstoorbaar ernstig bleef instrueren over de finesses van het liefdesspel. [5] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen