soes

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • soes
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘gebak’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1791 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord soes soezen
verkleinwoord soesje soesjes

Zelfstandig naamwoord

soes

  1. v/m (voeding) luchtig, hol gebak, vaak gevuld met (slag)room
  2. m een slaperige toestand
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
soezen

soes

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van soezen
    • Ik soes. 
  2. gebiedende wijs van soezen
    • Soes! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van soezen
    • Soes je? 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
soezen

soes

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van soezen
    • Ik soes. 
  2. gebiedende wijs van soezen
    • Soes! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van soezen
    • Soes je? 

Verwijzingen