snuf

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • snuf
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord snuf -
verkleinwoord snufje snufjes

Zelfstandig naamwoord

snuf v / m [2] [3]

  1. nabootsing van snuivend geluid
  2. reuk, geur
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
snuffen

snuf

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snuffen
    • Ik snuf. 
  2. gebiedende wijs van snuffen
    • Snuf! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snuffen
    • Snuf je? 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.

Verwijzingen