snooker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • snoo·ker
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘Engels biljartspel’ voor het eerst aangetroffen in 1989 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord snooker -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

snooker o

  1. (spel) een biljartspel waarbij vijftien rode ballen en zes anderskleurige ballen in een bepaalde volgorde gestoten worden in één van de zes hoekzakken
    • Hij speelt graag snooker met vrienden. 
Verwante begrippen

Werkwoord

vervoeging van
snookeren

snooker

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snookeren
    • Ik snooker. 
  2. gebiedende wijs van snookeren
    • Snooker! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snookeren
    • Snooker je? 

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen