snoever

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • snoe·ver
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord snoever snoevers
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

snoever m

  1. (scheldwoord) opschepper

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.