snoever

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • snoe·ver
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord snoever snoevers
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

snoever m

  1. (scheldwoord) opschepper

Gangbaarheid

70 % van de Nederlanders;
69 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be