schelde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schel·de

Werkwoord

vervoeging van
schellen

schelde

  1. enkelvoud verleden tijd van schellen
    • Ik schelde. 
    • Jij schelde. 
    • Hij, zij, het schelde. 
    • Men schelde niet over de ijscoman die gisteren luid schelde om onze aandacht op zijn heerlijke ijs te vestigen. 
vervoeging van
schelden

schelde

  1. aanvoegende wijs van schelden
    • Men schelde niet over de ijscoman die gisteren luid schelde om onze aandacht op zijn heerlijke ijs te vestigen. 
Gelijkklinkende woorden


Middelnederlands

Woordherkomst en -opbouw

Eigennaam

schelde

  1. (toponiem: rivier) Schelde


Verwijzingen