scannen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scan·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
scannen
scande
gescand
zwak -d volledig

Werkwoord

scannen

  1. (overgankelijk), (informatica) optisch lezen, aftasten
    We moesten de documenten nog scannen en opsturen.
  2. (natuurkunde), (scheikunde) een meting verrichten als functie van een veranderende grootheid

Meer informatie