sagen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sa·gen

Zelfstandig naamwoord

sagen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord sage

Gangbaarheid

69 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • sa·gen
Naar frequentie 548

Zelfstandig naamwoord

sagen

  1. nominatief bepaald gemeenschappelijk geslacht enkelvoud van sag



Duits

Uitspraak
  • IPA: /ˈzaːgŋ̩/
Woordafbreking
  • sa·gen
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sagen
/ˈzaːgŋ̩/
sagte
/ˈzaːktə/
gesagt
/gəˈzaːkt/
volledig

Werkwoord

sagen

  1. zeggen


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • sa·gen
Naar frequentie 10975

Zelfstandig naamwoord

sagen

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van sag
Schrijfwijzen