ruigte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

ruigte in Friesland
Uitspraak
Woordafbreking
  • ruig·te
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ruigte ruigtes
ruigten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ruigte v [2]

  1. een wild stuk natuur dat men weinig onderhoudt
     Het bijzondere van het geval in Noordijk is volgens Stronk hooguit dat het dier opdook in een tuin. "Want normaal gesproken blijven ze in de ruigte zitten, in braamstruiken en houtwallen. Als het maar zonnig en beschutte plekken zijn."[3]
     De brandweer rukte 62 maal uit voor een woningbrand en negen maal voor brand in een bedrijf. Ook werden 24 schoorsteenbranden gemeld. Brand in afval en ruigte (en daaronder vallen ook coniferen) kwam 139 maal voor.[4]
     Het zal die hang naar ruigte en een woest leven zijn, dat mannen hun gezicht nu wel massaal laten begroeien. Ook al ben je iets sufs op een kantoor, een baard geeft iets ruigs en onverschrokkens, een vleugje stoer.[5]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
61 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. ruigte op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Bronlink Weblink bron “'Gluiperd zo groot als een muis'” (12-08-2008,), Tubantia
  4. Bronlink Weblink bron “Brandweer rukt driemaal daags uit” (02-03-2011), Tubantia
  5. Bronlink Weblink bron “Mannen met baarden” (21-06-2014), Tubantia