rui
Uiterlijk
- rui
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | rui | ruien |
| verkleinwoord | ruitje | ruitjes |
de rui m
- (dierkunde) het periodiek uitvallen van het verenkleed van vogels
| vervoeging van |
|---|
| ruien |
rui
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruien
- Ik rui.
- gebiedende wijs van ruien
- Rui!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruien
- Rui je?
- De bovenstaande werkwoordsvormen zijn goeddeels hypothetisch gezien de betekenis van het woord.
- Het woord rui staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "rui" herkend door:
| 96 % | van de Nederlanders; |
| 88 % | van de Vlamingen.[1] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be