rui

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rui
enkelvoud meervoud
naamwoord rui ruien
verkleinwoord ruitje ruitjes

Zelfstandig naamwoord

rui m

  1. (dierkunde) het periodiek uitvallen van het verenkleed van vogels

Werkwoord

vervoeging van
ruien

rui

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruien
    • Ik rui. 
  2. gebiedende wijs van ruien
    • Rui! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruien
    • Rui je? 
Opmerkingen
  • De bovenstaande werkwoordsvormen zijn goeddeels hypothetisch gezien de betekenis van het woord.

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
90 % van de Vlamingen.

Meer informatie