rikketik

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rik·ke·tik
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘hart’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1984 [1]
  • afgeleid van tik [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord rikketik rikketikken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

rikketik m [3]

  1. (informeel) het hart, vaak eufemistisch gebruikt om aan te geven dat er sprake is van een hartziekte
    • Enkele jaren geleden was hij huisarts in de Hengelose wijk Klein Driene. Hartproblemen dwongen hem zeer tegen zijn zin te stoppen. Het was niet eens het feit dat zijn ‘rikketik’ hem parten speelde - dat euvel was met enkele bypasses redelijk snel opgelost - nee, het was vooral zijn verzekeraar, die voorschreef dat hij niet verder mocht. [4] 
    • 'Ik keek eens goed naar de spreker. Hij zag er gezond uit, niet het type dat het aan de rikketik had. [5] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen