rijs

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rijs
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rijs rijzen
verkleinwoord rijsje rijsjes

Zelfstandig naamwoord

rijs o [3] [4] [5]

  1. jong, dun takje
  2. takkenbos
  3. (waterstaat) rijshout
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
rijzen

rijs

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rijzen
    • Ik rijs. 
  2. gebiedende wijs van rijzen
    • Rijs! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rijzen
    • Rijs je? 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

60 % van de Nederlanders
43 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen