rendabel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ren·da·bel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘winst opleverend’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1906 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen rendabel rendabeler rendabelst
verbogen rendabele rendabelere rendabelste
partitief rendabels rendabelers -

Bijvoeglijk naamwoord

rendabel

  1. als iets meer baten dan kosten heeft
    • Het is maar de vraag of de Betuwelijn ooit een rendabele onderneming wordt. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen