reebout

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ree·bout
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord reebout reebouten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

reebout m [1]

  1. (voeding) bovenste dikke deel van de poot van een ree en het daaruit bereide gerecht
    • Ondervraging van het keukenpersoneel leert dat de moordenaars zich in het etablissement te goed deden aan een reebout, taart en een paar magnums champagne. [2] 
    • De jongens in de keuken hebben het vak nog van de oude Jon Sistermans geleerd en hebben een stevige wildkaart in elkaar geknutseld: patrijs met rauwe zuurkool en walnootmayonaise, gebraden reebout met spruitjes en herfstbock, fazant met bloedworst, eendenlever en kweepeer en op het karkas gebraden hazenrug met schorseneren en chocoladesaus [3] 
Hyperoniemen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
63 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 20 JUNI 2015 Mark Eeckhaut en Jan Desloover
  3. Volkskrant Marcus Huibers 3 november 2016