wildbraad

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wild·braad
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wildbraad
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

wildbraad o [2]

  1. (voeding) gebraden vlees van wilde dieren
    • Wat gebeurt er met doodgeschoten dieren? Die worden bijna altijd verkocht. Everzwijnvlees is in het jachtseizoen in veel restaurants heel populair. Particulieren kunnen behalve bij de poelier bij veel jachthouders wildbraadpakketten kopen.[3] 
    • Het allermooist waren de foto's: torenhoge, krullerig versierde taarten, opgedirkte gebraden varkentjes, hammen met kanten manchetjes, wildbraad, ingenieuze visschotels in de vorm van een stoomboot, een soort art-deco-lampenkap van vruchten... alles in onwaarschijnlijk mooie snoepjeskleuren, vervaardigd volgens de beproefde en beruchte Sovjet-retoucheermethode 'wat niet helemaal gelukt is aan een foto gum je uit, en wat er ontbreekt teken je er zelf zo goed en zo kwaad als je kunt bij met kleurpotlood'.[4] 
Synoniemen
  • wild
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
45 % van de Vlamingen.

Verwijzingen