quit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Engels

Uitspraak
vervoeging
onbepaalde wijs to quit
he/she/it quits
verleden tijd [[quit
quitted]]
voltooid
deelwoord
[[quit
quitted]]
onvoltooid
deelwoord
quitting
gebiedende wijs quit

Werkwoord

quit

  1. ontslag nemen, opgeven
    «He quit his job and moved away.»
    Hij gaf zijn baan op en verhuisde.
  2. opgeven
    «Don't quit, you are almost there!»
    Niet opgeven, je bent er bijna.
  3. ophouden
    «Quit complaining!»
    Hou op met klagen!
  4. verlaten
    «I'm going to quit this town.»
    Ik ga weg uit deze stad.