Naar inhoud springen

puis

Uit WikiWoordenboek
  • als bijwoord: van Laatlatijn postius "later, daarna", de vergrotende trap gevormd uit  post bw  "daarna" en het suffix -ius; met het voorzetsel de vormde het ook het voorzetsel depuis "sinds" [1]
vervoeging van
pouvoir

puis

  1. eerste persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van pouvoir
    «Puis-je vous aider 
    Kan ik u helpen?
  • Behalve bij inversie is de vorm verouderd.

puis

  1. (en) toen, daarna
    «Il leur dit quelques mots, puis il sortit.»
    Hij zei een paar woorden tegen hen en toen ging hij weg.
  2. (en) dan, vervolgens
    «Ils se proposent d’aller à Orléans, à Blois, puis à Tours.»
    Ze waren van plan naar Orleans en Blois te gaan en dan naar Tours.