primer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pri·mer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord primer primers
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

primer m

  1. vloeistof die als eerste laag op een harde ondergrond wordt aangebracht zodat verf of lijm daar beter aan vast gaat zitten
    • In het werk van Saad Ali is het werkvlak even belangrijk als de afbeelding zelf: ‘Werken op doek wekt bij mij geen grote gevoelens op. Ik heb het werken op hout ontdekt als equivalent voor muurschilderen’ (…). Saad Ali koopt oude houten ramen en deuren, verwijdert de oorspronkelijke verflaag, schuurt het hout glad, en brengt in sommige gevallen een primer aan. Pas hierna schetst hij met een penseel een eerste opzet. [2]
Hyponiemen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Catalaans

Rangtelwoord (cat)
1r 11è 10è 100è
2n 12è 20è 1000è
3r 13è 30è
4t 14è 40è
15è 50è
16è 60è
17è 70è
18è 80è
19è 90è

Rangtelwoord

primer

  1. eerste


Spaans

Rangtelwoord

primer

  1. eerste
Synoniemen

Verwijzingen