plankier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

plankier onderaan de muur bij het water
ijzeren steiger met plankier
van baksteen gemaakt plankier
Uitspraak
Woordafbreking
  • plan·kier
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bevloering van planken’ voor het eerst aangetroffen in 1574 [1]
  • vloer van planken [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord plankier plankiers
plankieren
verkleinwoord plankiertje plankiertjes

Zelfstandig naamwoord

plankier o [3]

  1. een houten vloer gemaakt van planken die een stukje boven de grond of het water zweeft
  2. een van planken gemaakte steiger of stellage ook als deze niet van hout gemaakt is
    • Het Ampzing-genootschap uit Haarlem staat zeer zeker een beetje apart. Het stelt zich tot doel de taal te vrijwaren van ongewenste elementen die er enkel als ,interessantdoenerij' in kunnen komen. Zoals babysitter, of een catwalk. Woorden uit het Engels waar we toch net zo goed ,oppas' en ,plankier' voor kunnen gebruiken. Of als we het wat speelser willen, ook ,zuigelingzitter' of ,poesplank'. [4] 
    • Het veer - kosten: 100.000 euro - 'veert mee' met de stand van de Berkel. Is zelfs zondvloedbestendig, zeg maar: ook als de rest van de omgeving onder water zou staan, ligt het veer nog op zijn plaats. Consequentie is wel dat je nu nogal omlaag moet op het plankier, om op het veer te komen.[5] 
  3. iets wat oorspronkelijk gemaakt was als houten steiger, aanlegplaats of perron (zelfs als het nu van steen is)
Vertalingen

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
54 % van de Vlamingen.

Verwijzingen