persoonsgebonden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • per·soons·ge·bon·den
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen persoonsgebonden
verbogen -

Bijvoeglijk naamwoord

persoonsgebonden

  1. gebonden aan een bepaald individu

Gangbaarheid