patience

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

kaartspel voor één persoon
Uitspraak
Woordafbreking
  • pa·ti·en·ce
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kaartspel voor één persoon’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
  • sOntleend aan Frans patience [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord patience
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

patience o

  1. kaartspel voor één persoon
    • Wat begint als een gezelschapsspel, ‘eigenlijk was het niets anders dan het spelletje patience aan het eind van de dag’, wordt een queeste naar betekenis die het dagelijks leven niet echt kan bieden: ‘Van andere nutteloze spelletjes verschilde dit alleen doordat er een vage kans was op een grote winst, zonder dat ik zou hebben geweten hoe die eruit zag en waar ik die had kunnen ophalen.’ [3] 

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders
83 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen