participe
Uiterlijk
- [zelfstandig naamwoord] van Latijn participium
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| participe | le participe | participes | les participes |
participe m
| vervoeging van |
|---|
| participer |
participe
- eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van participer
- eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van participer
- tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van participer
| vervoeging van |
|---|
| participar |
participe
- aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van participar
- aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van participar
- gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van participar