paniekerig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pa·nie·ke·rig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen paniekerig paniekeriger paniekerigst
verbogen paniekerige paniekerigere paniekerigste
partitief paniekerigs paniekerigers -

Bijvoeglijk naamwoord

paniekerig

  1. te angstig en te bang
    • De paniekerige man zaaide veel angst bij zijn buren. 
  2. door angst niet meer weten wat je moet doen
    • De paniekerige man begon als een kip zonder kop rond te rennen toen hij de klap hoorde. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.