owe
Uiterlijk
- erfwoord van Middelengels owen, Angelsaksisch āgan. Van West-Germaans *aigan, Indo-Europees *h₂eh₂óyḱe("bezitten"). Binnen het Engels verwant met own en ought.
| vervoeging | |
|---|---|
| onbepaalde wijs | to owe |
| he/she/it | owes |
| verleden tijd | owed |
| voltooid deelwoord |
owed |
| onvoltooid deelwoord |
owing |
| gebiedende wijs | owe |
owe
- ditransitief verschuldigd zijn, schuldig [2] zijn,
- «You do not owe him anything.»
- Je bent hem niets verschuldigd.
- «You do not owe him anything.»
- onovergankelijk (financiële) schulden [2] hebben
- overgankelijk ~to te danken/wijten hebben aan, kunnen toeschrijven aan
- «We owe this success to our operating method.»
- We hebben dit succes te danken aan onze werkwijze.
- «We owe this success to our operating method.»