overweldigen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·wel·di·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘met geweld overmeesteren’ voor het eerst aangetroffen in 1477 [1]
  • samenstelling van  over   en  weldigen   [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overweldigen
overweldigde
overweldigd
zwak -d volledig

Werkwoord

overweldigen

  1. overgankelijk met geweld onderwerpen
    • De bandieten overweldigden de nietsvermoedende man. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen