overweldigde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·wel·dig·de

Werkwoord

vervoeging van
overweldigen

overweldigde

  1. enkelvoud verleden tijd van overweldigen
    • Ik overweldigde. 
    • Jij overweldigde. 
    • Hij, zij, het overweldigde. 
  2. verbogen vorm van overweldigd, voltooid deelwoord van overweldigen