overvaller
Uiterlijk
- Geluid: overvaller (hulp, bestand)
- over·val·ler
- Afgeleid van overvallen met het achtervoegsel -er.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | overvaller | overvallers |
| verkleinwoord | overvallertje | overvallertjes |
de overvaller m
- iemand die mensen, banken of winkels berooft
- Met een helikopter werd er jacht gemaakt op de voortvluchtige overvallers.
- ▸ Het is van belang om te weten dat deze overvaller een heel normale conditie had voor een negenendertigjarige.[1]
- ▸ De waarheid is dat toen de overvaller het opgaf, alle gijzelaars tegelijkertijd werden vrijgelaten, de makelaar en alle aspirant-kopers.[1]
- Het woord overvaller staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "overvaller" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[2] |
- 1 2 Frederik Backman“Oma heeft me gestuurd om te zeggen dat het haar spijt” (2013), Volt, ISBN 9789021455808
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be