oraliteit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ora·li·teit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oraliteit oraliteiten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

oraliteit v

  1. het oraal zijn ((psychologie) het in de orale fase verkeren ?)
Vertalingen

Gangbaarheid

68 % van de Nederlanders;
72 % van de Vlamingen.