opschuiven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·schui·ven
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opschuiven
schoof op
opgeschoven
klasse 2 volledig

Werkwoord

opschuiven

  1. van plaats veranderen zonder los te raken van de ondergrond
    De zware kast werd met moeite opgeschoven.
  2. uitstellen
    Zij schoof de trouwplannen op nadat haar vriend haar een klap had gegeven.