oprisping

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·ris·ping
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oprisping oprispingen
verkleinwoord oprispinkje oprispinkjes

Zelfstandig naamwoord

oprisping v

  1. het weer naar boven komen van iets dat ingeslikt was
    • Doe Anneke haar slabbetje even om, er komt vast weer een oprisping! 
  2. overdrachtelijk een onverwachte en onbedoelde uitspraak
    • Met die oprisping zette hij veel kwaad bloed. 
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.