oppotten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·pot·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
oppotten
potte op
opgepot
zwak -t volledig

Werkwoord

oppotten

  1. overgankelijk een plant in een pot plaatsen
    • Die zaailingen kunnen nu wel opgepot worden. 
  2. overgankelijk verwoed geld sparen, gewoonlijk in een spaarpot
    • Dat geld wordt allemaal opgepot. 

Werkwoord

vervoeging van
oppotten

oppotten

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van oppotten
    • ...dat wij oppotten. 
    • ...dat jullie oppotten. 
    • ...dat zij oppotten. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be