oppositiepartij
Uiterlijk
- op·po·si·tie·par·tij
- samenstelling van oppositie zn en partij zn
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | oppositiepartij | oppositiepartijen |
| verkleinwoord | oppositiepartijtje | oppositiepartijtjes |
de oppositiepartij v
- (politiek) een politieke partij die niet in de regering zit
- ▸ In het debat over de Voorjaarsnota zette premier Rutte vanmiddag de deur op een kier voor een voorstel van de linkse oppositiepartijen. Die willen mensen die nu ook al zorgtoeslag krijgen, een 'najaarstoeslag' van 500 euro geven.[1]
- Het woord oppositiepartij staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑
Weblink bron “Rutte wil kijken naar toeslag van 500 euro voor lage en middeninkomens” (15 juni 2022), NOS