onvoorwaardelijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·voor·waar·de·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onvoorwaardelijk onvoorwaardelijker onvoorwaardelijkst
verbogen onvoorwaardelijke onvoorwaardelijkere onvoorwaardelijkste
partitief onvoorwaardelijks onvoorwaardelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

onvoorwaardelijk

  1. zonder uitzondering, zonder clausule, zonder beperkingen
    • Hij had onvoorwaardelijke trouw aan de koning gezworen. 
    • Hij had een onvoorwaardelijk vertrouwen in zijn dokter. 
Synoniemen