onttuigen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·tui·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van tuig met het voorvoegsel ont- met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
onttuigen
onttuigde
onttuigd
zwak -d volledig

Werkwoord

onttuigen

  1. overgankelijk een paard ontdoen van zijn tuig
    • Na samen het paard onttuigd en op stal gezet te hebben, stapten Jan en Dina naar binnen. 
  2. overgankelijk een schip ontdoen van zijn tuigage
    • Ons schip was al onttuigd en dus konden we voorlopig niet gaan varen. 

Gangbaarheid

64 % van de Nederlanders;
60 % van de Vlamingen.