ongestraft

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ge·straft
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen ongestraft
verbogen ongestrafte
partitief ongestrafts

Bijvoeglijk naamwoord

ongestraft

  1. van iets dat fout is dat er geen straf of boete op volgt
    • Na anderhalf jaar ben ik van Deventer naar Delft verhuisd. Ik kon tijdelijk een kamer krijgen bij de ouders van een vriendin en op mijn zeventiende woonde ik zelfstandig. Ik was puber maar ik kon me nergens tegen afzetten. Bij ouders kan dat, die liefde is in principe onvoorwaardelijk. Bij anderen is daar geen ruimte voor en dat voelde ik. Dat besef komt het hardst aan na de dood van je ouders: je kunt nooit meer ongestraft onredelijk zijn. [1] 
Verwante begrippen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Marieke Poelmann 9 juni 2015