ongesteld

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ge·steld
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ongesteld ongestelder ongesteldst
verbogen ongestelde ongesteldere ongesteldste
partitief ongestelds ongestelders -

Bijvoeglijk naamwoord

ongesteld

  1. menstruerend
    • De vrouw was ongesteld en kon daardoor niet naar haar werk. 
  2. een beetje ziek
    • Hij was een beetje ongesteld maar ging toch werken. 
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen