ongehoord

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ge·hoord
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen ongehoord
verbogen ongehoorde

Bijvoeglijk naamwoord

ongehoord

  1. schandelijk, zo erg dat niemand ooit van zoiets gehoord heeft
    De ongehoorde wreedheid van de ditctaor werd overal besproken.