ondubbelzinnig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·dub·bel·zin·nig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ondubbelzinnig ondubbelzinniger ondubbelzinnigst
verbogen ondubbelzinnige ondubbelzinnigere ondubbelzinnigste
partitief ondubbelzinnigs ondubbelzinnigers -

Bijvoeglijk naamwoord

ondubbelzinnig

  1. niet mis te verstaan
    • Dit was een ondubbelzinnige verklaring van de feiten. 
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.