omwallen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·wal·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omwallen
omwalde
omwald
zwak -d volledig

Werkwoord

omwallen

  1. wederkerend met een wal omgeven of beschermen
    • Door het omwallen van de steden kon men ze in de middeleeuwen beschermen tegen vreemde aanvallen. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

58 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be