omstander

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·stan·der
enkelvoud meervoud
naamwoord omstander omstanders
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

omstander m

  1. toeschouwer, getuige
    • De omstander schoot te hulp toen de spoorbomen dichtgingen en wist de man en de hond net op tijd weg te halen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be